Drie Andalusische ivoren doosjes in het Louvre en het Metropolitan

Drie Andalusische ivoren doosjes in het Louvre en het Metropolitan

Muslim Post Editorial Desk@muslimpost

Het doosje van al-Mughira in het Louvre is een ander voorwerp dan twee doosjes van het Metropolitan. Vergelijk inventarisnummers, opschrift, ontbrekende deksels en dateringen.

Het ivoren doosje van al-Mughira behoort tot de collectie van het Louvre en heeft inventarisnummer OA 4068. Op de bewaard gebleven dekselrand staat zijn naam met het jaar 357 volgens de islamitische jaartelling, door het museum gedateerd op 968. Twee andere Andalusische doosjes bevinden zich in het Metropolitan Museum of Art: 30.95.175 en 1970.324.5. Hun oorspronkelijke deksels ontbreken. De drie voorwerpen horen thuis in een gesprek over de hofkunst van de tiende eeuw, maar het opschrift van het ene mag niet als bewijs voor de identiteit van de andere twee worden gebruikt.

De omslagafbeelding is een oorspronkelijke historische reconstructie van het bewerken van ivoor, gemaakt met hulp van AI. Ze is geen foto van een bewaard doosje, een gedocumenteerde werkplaats of een specifieke archeologische vindplaats.

Wat betekent pyxis bij Andalusische ivoren voorwerpen?

Met pyxis bedoelen museumcatalogi doorgaans een kleine cilindervormige doos die kon worden afgesloten. Het woord beschrijft in de eerste plaats de vorm. Het zegt op zichzelf niet welke stof of welk sieraad ooit in een afzonderlijk exemplaar lag. Het kostbare materiaal en de zorgvuldige versiering maken de Andalusische stukken geschikt voor onderzoek naar de wereld van het Omajjadische hof. Toch is een aannemelijke gebruiksomgeving iets anders dan een aangetroffen inhoud. Wie een specifiek parfum of geschenk noemt, heeft voor dat specifieke voorwerp aanvullend bewijs nodig.

De catalogus van het kleine Metropolitan-doosje verbindt deze soort containers met persoonlijke kostbaarheden van de elite en noemt geurstoffen en cosmetica. De beschrijving van een ander exemplaar in The Met Cloisters vermeldt sieraden en cosmetica als mogelijke inhoud van zulke doosjes. Deze algemene aanwijzingen helpen de functie van het type te begrijpen. Ze vormen geen inventarislijst van objecten die na vele eeuwen nog in elk van de drie hier besproken doosjes zijn gevonden. Het verschil tussen “mogelijk gebruikt voor” en “aangetroffen met” blijft wezenlijk.

Ook de deksel is een bron van kennis. Het Louvre-exemplaar bewaart een deksel met tekst. Bij beide voorwerpen van het Metropolitan is de oorspronkelijke deksel verloren gegaan. Door vergelijking met andere Andalusische stukken kan een conservator de vorm ervan reconstrueren, maar niet zonder overgebleven tekst de naam lezen die er misschien ooit op stond. Daarom kan een hypothetische koepelvormige deksel niet als hetzelfde soort bewijs gelden als de werkelijk aanwezige rand met inscriptie in het Louvre.

Waarom vormen Córdoba en Madinat al-Zahra de historische achtergrond?

Córdoba was het machtscentrum van de Omajjaden in al-Andalus. In 929 nam de heerser de kaliefstitel aan. Vlakbij ontstond in het midden van de tiende eeuw de paleisstad Madinat al-Zahra. Het overzicht van het Metropolitan over de Omajjadische kunst in Spanje plaatst gesneden ivoren voorwerpen in de productie van kostbare hofgoederen. De UNESCO-beschrijving van Madinat al-Zahra noemt onder meer wegen, waterwerken, gebouwen en decoratie in de resten van de stad. Een klein draagbaar doosje en een geplande hofstad hebben een andere schaal, maar beide helpen het materiële milieu van het kalifaat zichtbaar te maken.

Deze gedeelde omgeving is geen bewijs dat alle drie de doosjes uit één bij naam bekende werkplaats kwamen. Het Louvre noemt Madinat al-Zahra bij OA 4068. Het Metropolitan schrijft de vervaardiging van 1970.324.5 toe aan Córdoba, maar registreert voor 30.95.175 alleen Spanje als herkomstgebied. Die drie formuleringen hebben verschillende graden van precisie. Wie ze zonder voorbehoud samenvoegt tot één verhaal over een bepaalde hofbeeldhouwer, zegt meer dan de afzonderlijke museumfiches dragen.

De politieke tijdlijn moet eveneens van de objectdatering worden onderscheiden. Het kalifaat begon in 929; dat maakt 929 niet tot het maakjaar van elk kostbaar voorwerp uit die context. Soms bestaat er een jaartal op het object zelf, soms stelt een museum een ruimere periode voor op grond van vergelijking en kunsthistorische beoordeling. Het opschrift, de staat van bewaring en het inventarisnummer van elk doosje bepalen welke conclusie verdedigbaar is.

Welke informatie staat werkelijk op de pyxis van al-Mughira?

De officiële Louvre-fiche van OA 4068 noemt al-Mughira, het jaar 357 van de islamitische jaartelling of 968, en Madinat al-Zahra. Het materiaal is olifantenivoor, gesneden en gegraveerd. Het voorwerp is in zijn geheel 18 centimeter hoog en heeft een diameter van 11,8 centimeter. Deze combinatie van naam, datum, materiaal en afmetingen is gekoppeld aan één identificeerbaar museumobject. Ze hoort niet automatisch bij ieder doosje dat in dezelfde eeuw in Andalusië is gemaakt.

Langs de onderste rand van de deksel loopt een Arabische inscriptie in Koefisch schrift. De tekst wenst al-Mughira zegen, gunst, vreugde en voorspoed toe, noemt hem een zoon van de “bevelhebber der gelovigen” en vermeldt het jaar 357. Omdat de deksel bewaard is, zijn naam en jaartal hier meer dan een moderne stijlvergelijking. Maar het opschrift geeft geen volledige lijst van makers, somt de oorspronkelijke inhoud niet op en legt ook niet uit wat iedere menselijke of dierlijke figuur op het doosje betekent.

De reliëfs zijn onderwerp van uiteenlopende duidingen, onder meer over dynastieke macht. Een bespreking bij Smarthistory werkt zo'n interpretatie van de scènes uit. Dat kan een waardevol argument zijn, mits het als interpretatie herkenbaar blijft. De naam en het jaartal zijn woorden op het voorwerp; de politieke betekenis van een bepaalde figuur wordt beredeneerd uit beeld en historische context. Door beide soorten bewijs in één zin als even zeker te presenteren, raakt precies verloren wat dit exemplaar bijzonder maakt.

Het Louvre geeft daarnaast aan dat het werk langdurig in het Louvre Abu Dhabi wordt getoond. De instelling die het inventarisnummer beheert en de plaats waar een bezoeker het werk op een bepaald moment kan zien, hoeven niet samen te vallen. Voor een bezoek is controle van de actuele museumfiche nodig. Een verandering van tentoonstellingslocatie verandert echter niet het opschrift op de deksel of het nummer OA 4068.

Waarom is Metropolitan 30.95.175 geen doosje van al-Mughira?

Het Metropolitan beschrijft 30.95.175 als “Cylindrical Box (Pyxis)”. De catalogus dateert deze gesneden ivoren doos ruim in de tiende eeuw en vermeldt Spanje als geografische herkomst. De hoogte is 6,7 centimeter, de diameter 8,3 centimeter. Er staat bij dit inventarisnummer geen aanduiding dat het om de Louvre-pyxis van al-Mughira gaat, noch een transcriptie van diens inscriptie uit 357. De afmetingen verschillen bovendien sterk van de 18 centimeter totale hoogte van OA 4068.

De oorspronkelijke deksel van het kleine Metropolitan-doosje ontbreekt. Een bolle of koepelvormige deksel kan op grond van vergelijkbare Andalusische exemplaren worden voorgesteld, maar zo'n voorstelling is niet hetzelfde als een nog aanwezige deksel. Als hier ooit een naam of jaar op stond, kan die tekst nu niet aan het voorwerp worden afgelezen. Het jaartal 968 overnemen van OA 4068 zou de lezer ten onrechte de indruk geven dat deze anonieme doos zelf nauwkeurig is gedateerd.

Juist bij dit voorwerp wordt een foutieve bronvermelding misleidend. Een link kan naar de catalogus van 30.95.175 voeren terwijl het anker “Pyxis of al-Mughira” belooft. De browser opent dan wel een echte museumfiche, maar voor het verkeerde object. Een goede correctie controleert tegelijk de titel, het nummer, de maat, de overgebleven onderdelen en de onderbouwing van de datering. De fiche van het Metropolitan helpt bij vragen over vorm en mogelijke gebruikscontext; ze kan het opschrift op het Louvre-stuk niet bewijzen.

Wat weten we afzonderlijk van de doos in The Met Cloisters?

Een tweede Metropolitan-object heeft inventarisnummer 1970.324.5 en behoort tot The Met Cloisters. Volgens de museumcatalogus is het in Córdoba vervaardigd en dateert het van omstreeks 950 tot 975. De totale afmetingen worden opgegeven als 11,7 bij 10,5 centimeter. Dit is een derde voorwerp met een eigen catalogusnummer, niet een alternatieve meting van 30.95.175 of OA 4068. De overeenkomst in materiaal en cilindrische vorm maakt de individuele registratie niet overbodig.

Ook de oorspronkelijke deksel van het Cloisters-exemplaar is verloren. De catalogus stelt dat daarop, naar analogie van andere stukken, misschien een naam en een datum stonden. “Misschien” betekent hier dat er geen bewaard opschrift is om voor deze doos te citeren. De periode “omstreeks 950–975” is daarom niet uitwisselbaar met het precieze 968 van het Louvre. Zou men beide jaren gelijkstellen, dan leek het alsof de ontbrekende deksel toch was gevonden en een tekst had opgeleverd.

Op de wand herkent het Metropolitan vogels, leeuwen en gazellen tussen dicht gesneden wijnranken. Het museum vergelijkt deze ornamentiek met later Europees romaans ivoor en handschriften. Dat is een uitspraak over vormverwantschap en mogelijke invloed, geen bewijs dat een specifieke middeleeuwse kunstenaar precies dit bewaarde exemplaar voor zich had. Voor voorbeelden van figuratie in uiteenlopende materialen en situaties kan de lezer onze bespreking van mensen en dieren in islamitische museumcollecties raadplegen.

Hoe vergelijk je afmetingen en dateringen zonder verwisseling?

Een korte vergelijking begint met de nummers: Louvre OA 4068 heeft een beschreven herkomst in Madinat al-Zahra, een bewaarde beschreven deksel en het jaar 357/968; Metropolitan 30.95.175 is een veel kleinere doos uit Spanje, breed in de tiende eeuw geplaatst en zonder oorspronkelijke deksel; Metropolitan Cloisters 1970.324.5 wordt aan Córdoba en omstreeks 950–975 toegeschreven en heeft eveneens geen oorspronkelijke deksel. De drie regels horen bij drie catalogusfiches. “Andalusisch ivoren doosje” is een typeomschrijving, niet een unieke eigennaam.

Op een webpagina kunnen foto's van voorwerpen met sterk uiteenlopende afmetingen toch even groot lijken. Het Louvre geeft 18 centimeter totale hoogte en 11,8 centimeter diameter. Het kleine Metropolitan-doosje is 6,7 centimeter hoog bij een diameter van 8,3 centimeter; voor het Cloisters-exemplaar staat 11,7 bij 10,5 centimeter. Daarbij is de deksel van het Louvre-stuk behouden, terwijl de twee andere deksels ontbreken. De museummaat moet dus samen met de bewaarde onderdelen worden gelezen, niet afgeleid uit de pixels van een uitgesneden foto.

Ook de jaartallen hebben verschillende bewijskracht. Bij OA 4068 maakt het jaar 357 deel uit van een nog bestaand opschrift. “Tiende eeuw” voor 30.95.175 is een brede classificatie. “Omstreeks 950–975” voor 1970.324.5 is een geschat tijdvak. De onzekerheid van beide Metropolitan-gevallen is geen reden om ze minder serieus te nemen. Ze laat zien wat na verlies van de deksels nog wel en niet vast te stellen is. Woorden als “omstreeks” en “toegeschreven” zijn onderdeel van nauwkeurigheid.

Wat laten ivoor en gesneden motieven zien?

Olifantenivoor bood een compact oppervlak waarop kleine figuren met veel detail konden worden gesneden. De ronde wand draagt een doorlopende versiering die zichtbaar wordt wanneer het doosje wordt gedraaid; een overgebleven dekselrand kan plaats bieden aan een tekst. Het Louvre registreert zowel snijwerk als gravering. De Cloisters-fiche noemt dieren en ranken. Dat zijn controleerbare beschrijvingen van het materiaal en het uiterlijk. De precieze volgorde van iedere beitelstreek in een werkplaats, de naam van een maker en een identieke metalen sluiting op alle exemplaren volgen er niet uit.

De collectieselectie van het Victoria and Albert Museum over het islamitische Midden-Oosten bevat nog een pyxis uit de omgeving van Madinat al-Zahra, gedateerd omstreeks 969–970. Die vierde verwijzing maakt duidelijk dat het bekende Louvre-object niet het enige voorbeeld van deze cultuur is. Ook dit V&A-stuk heeft echter zijn eigen identiteit en mag niet als extra afbeelding van een van onze drie hoofdvoorwerpen worden behandeld. Het gebruik van duur materiaal wijst op toegang tot middelen, maar noemt geen individuele handelaar, ontvanger van ieder exemplaar of specifieke gelegenheid van overdracht.

Bladranken op een smalle band kunnen worden vergeleken met onze uitleg van arabesk en plantaardige rolmotieven. Zo'n vergelijking verduidelijkt de compositie, maar levert geen woordenboek waarin elke vogel of bloem overal precies dezelfde betekenis heeft. Een politieke lezing van een scène moet steunen op wat bij die scène en dat voorwerp bekend is, niet op de enkele aanwezigheid van een herkenbaar dier.

Hoe ver reikt een politieke interpretatie van de beelden?

Op de doos van al-Mughira zijn de naam en de datum leesbaar, terwijl de betekenis van veel scènes aanvullend onderzoek vraagt. Op de Cloisters-doos herkennen conservatoren vogels, leeuwen en gazellen, maar ontbreekt de deksel die misschien ooit meer informatie bevatte. Een zorgvuldige beschrijving stelt eerst vast welke figuren zichtbaar zijn. Daarna kan zij aangeven welke verbanden kunsthistorici met hofpolitiek, dynastie of andere voorwerpen voorstellen. Zonder directe tekst is een interpretatie een beredeneerd voorstel, niet een ingekerfde verklaring van het hele beeldprogramma.

De aanwezigheid van mensen en dieren op zulke hofvoorwerpen laat ook zien waarom de algemene uitspraak dat islamitische kunst nooit levende wezens uitbeeldde niet houdbaar is. Een doosje voor persoonlijk of vorstelijk gebruik had een andere functie dan een gebedsruimte. Vergelijk bijvoorbeeld de mozaïeken van Khirbat al-Mafjar, die in een andere streek, periode en techniek ontstonden. Overeenkomende thema's hoeven niet door dezelfde maker of werkplaats te zijn uitgevoerd.

Ook de gesneden stucco van Samarra kan helpen om herhaling en abstractie in een ander materiaal te bestuderen. Zo'n vergelijking is zinvol als de verschillen in plaats, datering en gebruik zichtbaar blijven. Zij bewijst niet dat een maker in Córdoba een bepaalde muur in Samarra kopieerde. Voor een concrete route van invloed zou meer nodig zijn dan gelijkenis: bijvoorbeeld passende chronologie en aantoonbare verspreiding.

Welke vragen blijven bij deze voorwerpen open?

We weten niet met zekerheid of de twee verloren Metropolitan-deksels namen of jaren droegen. Evenmin kan uit de vorm alleen worden afgeleid welke inhoud oorspronkelijk in elk van de drie doosjes lag. Het Louvre-exemplaar biedt de zeldzame combinatie van een bewaarde naam en een datum, maar zelfs daarvan is niet ieder dier geïdentificeerd door het opschrift en is niet iedere latere eigendomsoverdracht beschreven. Een ontbrekend stuk geschiedenis mag niet automatisch worden ingevuld met gegevens van een bekendere buur in een museumvergelijking.

Wie een afbeelding met het onderschrift “pyxis van al-Mughira” aantreft, kan beginnen met vier controles: staat er OA 4068 als inventarisnummer, beschrijft de fiche een deksel met inscriptie, klopt de opgegeven maat, en gaat het om de Louvre-collectie? Komt in plaats daarvan 30.95.175 of 1970.324.5 voor, dan is de betreffende Metropolitan-fiche het uitgangspunt. Zo blijven drie werkelijk bestaande ivoren voorwerpen onderscheiden, ook waar hun oorspronkelijke inhoud of verloren deksels vragen openlaten.

Bronnen