Hoe Akbars Hamzanama een cyclus van circa 1.400 schilderingen werd

Hoe Akbars Hamzanama een cyclus van circa 1.400 schilderingen werd

Muslim Post Editorial Desk@muslimpost

Wat Akbars Hamzanama vertelde, hoe de grote folio's op katoen en papier werden gemaakt, waarom musea uiteenlopende jaartallen en aantallen geven en wat afzonderlijke bladen laten zien.

Akbars Hamzanama was een rijk geïllustreerde Perzische avonturencyclus voor het hof van de Mogolkeizer in de tweede helft van de zestiende eeuw. Musea reconstrueren doorgaans een project van ongeveer 1.400 schilderingen, verspreid over meerdere banden. De voorstellingen waren veel groter dan de miniaturen die men vaak met een handschrift associeert. Beschilderde katoenen dragers, papier met Perzische tekst, dekkende kleuren, inkt en goud maakten samen een verhalend object. Het verhaal draait om Amir Hamza, een legendarische held die met de historische oom van de profeet Mohammed in verband wordt gebracht. De fantastische gebeurtenissen op de bladen zijn geen gedocumenteerde biografie van die oom.

Van het enorme project resteren losse folio's in verschillende musea. Daardoor vraagt zelfs een eenvoudige vraag als ‘hoeveel zijn er over?’ om uitleg: de ene instelling telt fragmenten anders dan de andere, en een afgerond oorspronkelijk totaal is geen inventaris van intacte boeken. De slagscène in het Metropolitan Museum of Art wordt bijvoorbeeld rond 1564–1569 gedateerd en heeft catalogusafmetingen van 68,6 bij 54 centimeter. Het Victoria and Albert Museum bespreekt daarentegen de langdurige productie van de hele cyclus, ruwweg tussen 1562 en 1577. Het ene gegeven betreft een bewaard object; het andere een reconstructie van een hofproject.

Vertelt de Hamzanama het leven van de historische Hamza?

Hamza ibn Abd al-Muttalib was een oom van de profeet Mohammed. In de Hamzanama wordt een met hem verbonden figuur de held van een omvangrijke avonturenroman. Het V&A beschrijft een mondelinge verteltraditie met gevaarlijke reizen, tegenstanders, heksen, demonen en wonderlijke krachten. Het MAK in Wenen maakt eveneens onderscheid tussen de historische persoon en de later aan hem toegeschreven verhaalelementen. De naam alleen bewijst dus niet dat een afgebeelde gebeurtenis werkelijk heeft plaatsgevonden.

Dat onderscheid is belangrijk wanneer een bezoeker een gewapende held, reus of ontsnapping ziet. Een schilderij kan precies zijn in de weergave van kleding, gebaren en compositie, terwijl de gebeurtenis zelf verzonnen is. Het Met-folio waarop Mihrdukht door een ring schiet hoort volgens de collectiecatalogus bij een episode waarin een prinses haar vaardigheid toont in een huwelijksverhaal rond Hamza's zoon Hamid. Het object geeft bewijs voor wat een zestiende-eeuwse werkplaats afbeeldde; het bevestigt geen historische schietwedstrijd.

De cyclus behoort tot een dastan, een traditie van lange verhalen die konden worden voorgedragen en steeds nieuwe episodes omvatten. Daarom laat een blad dikwijls verscheidene handelingen en groepen figuren zien. Een religieuze of islamitische culturele context maakt de monsters en toverhandelingen nog niet tot leerstellingen. Wie de voorstellingen als historische bron gebruikt, moet scheiden wat het voorwerp daadwerkelijk toont van wat het verhaal binnen zijn fictieve wereld beweert. Die voorzichtigheid laat de artistieke rijkdom intact en maakt de afbeeldingen juist beter leesbaar.

Waar komt het getal van ongeveer 1.400 schilderingen vandaan?

Het Cleveland Museum of Art beschrijft een oorspronkelijke opzet van veertien banden met elk honderd voorstellingen. Dat levert de vaak geciteerde 1.400 op. Ook het Met noemt dat totaal. Het V&A merkt echter op dat vroege vermeldingen uiteenlopen tussen twaalf en veertien banden, doorgaans gedacht als groepen van ongeveer honderd schilderingen. Geen van die getallen is het resultaat van het vandaag natellen van veertien complete, gebonden boeken: die zijn niet zo bewaard. Het is een beredeneerde reconstructie van een uiteengevallen onderneming.

De schaal van het werk verklaart waarom een keizerlijk atelier nodig was. Het Met spreekt bij zijn slagblad over bijna honderd kunstenaars die gedurende ongeveer vijftien jaar aan de onderneming werkten. Het V&A schetst een grote hofwerkplaats onder leiding van meesters met Iraanse opleiding, samen met kunstenaars uit het Indiase subcontinent. Zulke samenvattingen tonen de organisatie, maar vormen geen nauwkeurige lijst van alle medewerkers per dag. Een schildering kan bovendien door meer dan één hand zijn voorbereid en voltooid. ‘1.400 schilderingen’ betekent niet ‘1.400 afzonderlijke schilders’.

Een vergelijking met Shah Tahmasps Shahnama helpt begrijpen waarom geïllustreerde hofsagen veel planning, tekstwerk en verschillende ambachten vergden. Dat Safavidische handschrift is een ander project, met een eigen overlevering en andere catalogusgegevens. De vergelijking verduidelijkt de werkwijze; zij mag niet gebruikt worden om ontbrekende Hamzanama-bladen of makers bij elkaar te verzinnen. Voor de omvang van Akbars opdracht blijven de afzonderlijk genoemde museumgegevens het uitgangspunt.

Wanneer werd de cyclus gemaakt?

Volgens het Met gaf Akbar in 1562 opdracht voor het werk; zijn slagblad dateert het museum afzonderlijk rond 1564–1569. Het V&A plaatst de productie als geheel ongeveer tussen 1562 en 1577. De MAK-catalogus gebruikt voor het project een ruimer bereik van 1557 tot 1577. Een verschil tussen catalogi hoeft niet te betekenen dat een blad verkeerd is gedateerd. Instellingen kunnen het begin van patronage, de periode waarin teksten en afbeeldingen ontstonden of de datering van een specifiek overgeleverd object bedoelen. Het is daarom onjuist al die jaren samen te trekken tot één onbetwiste begin- of voltooiingsdatum.

Het maken van zo'n cyclus was bovendien geen enkele handeling. Verhalen konden in Perzisch proza worden bewerkt, episodes geselecteerd, tekst gekopieerd, voorstellingen ontworpen, geschilderd en op dragers samengebracht. Die werkzaamheden konden overlappen. Omdat de oorspronkelijke boekbanden niet intact zijn overgeleverd, is geen volledige productiekalender te herstellen uit een rij bewaarde folio's. Een object met ‘circa 1570’ op zijn museumkaart kan uitstekend binnen een langer project passen zonder de startdatum van de hele opdracht vast te leggen.

De Hamzanama behoort tot Akbars vroege hofcultuur. Zijn religieuze beleid, sulh-i kull en de discussies over Din-i Ilahi vragen om eigen bronnen en een latere tijdlijn. Een geschilderd avontuur over een legendarische moslimheld is op zichzelf geen bewijs voor wat de keizer tijdens de debatten in de Ibadat Khana in de late jaren 1570 geloofde. Kunsthistorische datering en politieke interpretatie moeten elk op hun eigen gegevens rusten.

Hoe waren de grote bladen opgebouwd?

Het slagfolio van het Met, inventarisnummer 18.44.2, wordt beschreven als inkt, dekkende waterverf en goud op textiel, gemonteerd op papier. De catalogus noemt 68,6 bij 54 centimeter als afmetingen van dat object; zij zegt niet dat dit uitsluitend de maat van het beschilderde vlak is. Het Cleveland-folio 1976.74 vermeldt expliciet een paginamaat van 83,7 bij 67 centimeter en een medium van gomtempera, inkt en goud op katoen en papier. Wie deze cijfers naast elkaar zet, vergelijkt twee verschillende overgeleverde objecten én moet de meetbasis van ieder record meenemen.

Het V&A beschrijft hoe een papieren blad met Perzische tekst en een beschilderd stuk katoen tot grote folio's werden gecombineerd. Een Hamzanama-blad was daarmee meer dan een afbeelding op één eenvoudig vel boekpapier. Geschreven tekst, verf, textiel, achterpapier en eventuele latere montage zijn te onderscheiden onderdelen. In een digitale collectie ziet men doorgaans de voorkant als eerste; een achterkant met tekst, de structuur van het weefsel of een naad tussen de lagen is niet altijd even duidelijk zichtbaar. Een overtuigende reproductie neemt het plaatselijke materiaalonderzoek van het museum dus niet over.

De grote oppervlakte bood ruimte aan meerdere personages, gebouwen, rotsen, dieren en handelingen tegelijk. Zij kon een scène ook op afstand leesbaar maken. Maar een groot kwetsbaar blad kon later worden bijgesneden, losgemaakt of opnieuw bevestigd, zodat de huidige afmetingen niet vanzelf de maat van alle oorspronkelijke schilderingen vertegenwoordigen. Zonder technisch onderzoek moet men geen precieze vezelsoort, oude kleefstof of restauratiegeschiedenis afleiden uit een foto. Materiaalbeschrijvingen zijn het sterkst wanneer ze aan een inventarisnummer en een expliciete museumregistratie worden gekoppeld.

Hoe kon een hofatelier zoveel verschillende scènes schilderen?

Het V&A beschrijft een werkplaats waarin kunstenaars met een Iraanse opleiding en schilders uit verschillende Indiase tradities samenwerkten. Naast schilders waren kopiisten, boekbinders en versierders nodig. Het resultaat was geen mechanische kopie van één ouder Perzisch voorbeeld: uiteenlopende werkwijzen konden in een hofopdracht met elkaar in aanraking komen. De Hamzanama was een van de vroege grote opdrachten van deze werkplaats. Andere Mogolhandschriften ontwikkelden later hun eigen verhouding tussen afbeelding, tekst en portret.

De toeschrijving van een afzonderlijk blad vergt meer zorg dan het benoemen van het atelier. Het Met schrijft zijn slagvoorstelling voorlopig toe aan Shravana, Dasavanta en Tara. Het gaat om een catalogusoordeel over object 18.44.2, niet om drie handtekeningen op alle nog bestaande folio's. Het V&A bespreekt bij latere Akbarnama-handschriften een onderscheid tussen de ontwerper en degene die kleur aanbracht. Zo'n gedocumenteerde latere werkpraktijk maakt samenwerking aannemelijk, maar bewijst niet dat precies dezelfde taakverdeling bij elk Hamzanama-blad zichtbaar is.

Ook het MAK noemt kunstenaars die met het project in verband worden gebracht. Een algemene namenlijst, een stilistische toeschrijving en een opschrift op een specifiek object hebben niet hetzelfde gewicht. Het veilige uitgangspunt is een grote, georganiseerde werkplaats onder keizerlijke bescherming, met slechts voor sommige bladen een voorzichtige toeschrijving aan bepaalde handen. Onze bespreking van mensen en dieren in islamitische kunst biedt vergelijkbare museumvoorbeelden van figuratie. Zij wijst geen omstreden maker van een Hamzanama-folio aan, maar helpt kijken naar houding, beweging en de rol van personages in een voorstelling.

Wat laten drie bewaarde folio's concreet zien?

Op het Met-blad met Hamza's bondgenoten Qasim en Badi'uzzaman vechten hoofdfiguren bij een paviljoen terwijl andere groepen de ruimte vullen. Het museum dateert dit object rond 1564–1569 en noteert meerdere toeschrijvingen. Daardoor is het een goed voorbeeld van een dicht geordende actiescène. De afbeelding zelf vertelt echter niet in welke volgorde drie genoemde kunstenaars de contouren tekenden, de kleuren invulden en details afwerkten. De compositie is zichtbaar; het hele productieproces is dat niet.

Een tweede Met-folio toont de prinses Mihrdukht, die door een ring schiet die aan een gouden vogel hangt. De instelling dateert het blad rond 1570 en verbindt de uitdaging aan een huwelijksverhaal met Hamza's zoon Hamid. Hier staan niet een veldslag maar vaardigheid, hofmakerij, een vrouwelijke hoofdpersoon en een decoratieve tuinomgeving centraal. De door het museum genoemde katoenen drager laat ook een materiële vergelijking met de slagscène toe. Dat betekent nog niet dat beide bladen ooit naast elkaar zaten of exact dezelfde afmetingen hadden.

Het Cleveland-folio laat Alamshah zien bij een dam. Volgens het museum heeft een tegenstander de zware bronzen plug omhooggetrokken om het kamp van Alamshahs vader Hamza weg te spoelen; de held heeft die tegenstander gedood en hakt de ketting van het rad door. Het museum verbindt het object met band elf en legt uit dat een titel onder aan de rand aansluit op tekst van de vorige bladzijde. Dat kleine detail is wezenlijk: de voorstelling was onderdeel van een opeenvolgend verhaal, geen zelfstandig affiche. Een losgeraakt blad kan verwijzen naar een episode die op een naburig, misschien verloren blad begon. De drie objecten geven dus verschillende soorten kennis: beeldopbouw, een benoemd boogschietverhaal en de relatie tussen een beeld en de doorlopende tekst.

Hoeveel folio's zijn er nog en waar bevinden zij zich?

Van de gereconstrueerde 1.400 schilderingen is slechts een klein deel over. Het V&A spreekt van minder dan 200 bewaarde voorstellingen. Het noemt zestig folio's in de Weense MAK-groep en beschrijft in de eigen collectie achtentwintig complete folio's en twee fragmenten. De online registratie van het MAK, bijgewerkt in september 2026, spreekt van 200 bewaarde bladen wereldwijd en zestig in Wenen. Die formuleringen zijn niet gelijk. Verschillende opnamedata, de behandeling van fragmenten en de afbakening van een verzameling kunnen verschil maken, maar deze twee webpagina's leveren geen gezamenlijke telregel die dat exact verklaart.

Een voorzichtige conclusie is dat hooguit ongeveer een zevende van de oorspronkelijke, geschatte cyclus bewaard is. Dat is een orde van grootte, geen nieuwe wereldwijde inventaris. Losse objecten bevinden zich onder meer in New York, Londen, Wenen en Cleveland. Het British Museum registreert de schildering van de reus Zumurrud Shah als een Hamzanama-voorstelling op katoen. Het inventarisnummer 1925,0929,0.2 maakt duidelijk over welk blad men spreekt; een algemeen bijschrift als ‘Mogolminiatuur van Akbar’ zou minder controleerbaar zijn.

De verspreiding laat onderzoekers composities, materialen en opschriften tussen musea vergelijken, maar maakt de oorspronkelijke leesvolgorde lastig te reconstrueren. Een herkomstbeschrijving kan vertellen waar een object later verbleef zonder zijn oorspronkelijke positie in een verdwenen band te bewijzen. Schade, bijsnijden en nieuwe montages kunnen de huidige aanblik veranderen. Zelfs wanneer twee afbeeldingen stilistisch goed bij elkaar passen, moet een bewering dat ze ooit tegenover elkaar lagen op aantoonbare tekstuele of materiële aanwijzingen steunen. De lacunes zijn onderdeel van de geschiedenis van het overgeleverde handschrift.

Wat betekende het project voor de Mogolschilderkunst?

Akbars werkplaats kreeg met de Hamzanama een langdurige opdracht waarin terugkerende personages, grote groepen, landschappen, bouwwerken en dramatische handelingen steeds opnieuw vorm moesten krijgen. Het V&A ziet de bewaarde bladen als getuigen van een zich ontwikkelende Mogolstijl. Het Met-overzicht van Mogolkunst vóór 1600 plaatst de opdracht in een hof waar kunstenaars uit Perzische en Indiase, islamitische en hindoeïstische omgevingen werkten. Dat is een kunsthistorische interpretatie van een breder patronageverband; een afzonderlijk blad bewijst niet dat één cultuur eenvoudigweg een andere heeft vervangen.

De betekenis is concreet te maken door de voorwerpen naast elkaar te lezen. Een groot beschilderd katoenen folio toont hoe een episode voor een publiek zichtbaar werd; een randtekst kan naar het volgende deel van het verhaal wijzen; latere handschriften gebruiken weer andere combinaties van beeld en tekst. Ter vergelijking behandelt onze gids over arabesken en plantaardige patronen herhalende vormen en randen. Zo'n ornament kan op een verhalend blad voorkomen, maar de Hamzanama is geen verzameling abstracte patronen. De spanning tussen een gereconstrueerde reusachtige opdracht en een klein, bestudeerbaar aantal losse folio's maakt dit project nog altijd kunsthistorisch belangrijk.

De omslagafbeelding is een originele historische reconstructie die met hulp van AI is gemaakt. Zij is geen foto van een bewaard Hamzanama-blad, een aantoonbaar specifiek atelier of een met naam bekende schilder.

Bronnen

  1. Metropolitan Museum of Art, slagfolio 18.44.2 — Onderbouwt de reconstructie van 1.400 voorstellingen, de lange productie, de objectdatering rond 1564–1569, het medium, de catalogusafmetingen en de voorlopige kunstenaarstoeschrijvingen. De afmetingen horen bij dit geregistreerde object.
  2. Victoria and Albert Museum, “The arts of the Mughal Empire” — Beschrijft de verhalende achtergrond, het samengestelde materiaal, de hofwerkplaats, de ruime projectdatering, de afwijkende aantallen banden en de eigen formulering over bewaarde bladen en collecties.
  3. Cleveland Museum of Art, Hamza-nama-folio 1976.74 — Onderbouwt de reconstructie van veertien maal honderd, de aanduiding van band elf, de expliciete paginamaten, materialen en de tekstuele aansluiting op een vorig blad.
  4. MAK Wenen, collectiekaart van de Hamzanama — Geeft een ruimer tijdvak, de op de huidige pagina genoemde 200 bewaarde bladen en zestig Weense exemplaren en verbanden met genoemde schilders. De telling wordt niet zonder toelichting gelijkgesteld aan die van het V&A.
  5. Metropolitan Museum of Art, Mihrdukht-folio 2022.170 — Documenteert de boogschietepisode, de datering rond 1570 en het materiaal. Het afgebeelde verhaal is geen bewijs van een werkelijk gebeurde wedstrijd.
  6. British Museum, schildering 1925,0929,0.2 — Biedt een concreet geregistreerde reuzenepisode en een beschrijving van de katoenen drager; het inventarisnummer maakt de vergelijking controleerbaar.
  7. Metropolitan Museum of Art, “The Art of the Mughals before 1600” — Plaatst de vroege hofwerkplaats in een breder verband van kunstenaars en opdrachten. Het overzicht is context, geen inventaris van alle Hamzanama-folio's.